 |
|
|
| |
LEXICON - vaktermen van A tot Z
|
|
|
|
|
|
|
| A |
|
Aarden plavuizen:
Ongeglazuurde
keramische tegels in baksteenkleur met gemiddelde tot hoge wateropname.
Wordt bij voorkeur gebruikt als vloertegels in ruimtes met een rustiek
karakter. Om de vereiste / gewenste gebruikseigenschappen te
verkrijgen, moeten zij speciaal behandeld worden. Aanwijzingen vindt u
op de verpakking van de fabrikant (zie ook reiniging, onderhoud).
Aardewerk (steengoed):
Traditioneel begrip voor tegels met hoge wateropname (zie keramische tegels).
Afdrukking:
Decoratietechniek
waarbij een calqueerplaatje met speciale keramische kleuren vóór het
decoratiebranden op de tegel aangebracht wordt. Dit kan machinaal of
manueel gebeuren.
Afslijting:
Afslijting
(oppervlakteslijtage) van vloerbedekkingen doet zich voor als gevolg
van schurende, wrijvende belasting en kan bij geglazuurde tegels
zichtbaar worden doordat de glans van het oppervlak verandert.
Antislip tegels:
Speciale
tegels met in meerdere of mindere mate geprofileerd of ruw oppervlak om
antislipeigenschappen van een vloer te verkrijgen
(ongevallenpreventie). De ongevallenverzekeringen schrijven
antislipvloeren voor als vloeren in werkruimtes en -zones met verhoogd
slipgevaar en voor zones waar men blootsvoets gaat. De in deze zones te
gebruiken tegels moeten de voorgeschreven graad aan antislipwerking
bezitten (bewezen door de fabrikant).
In de commerciële
sector wordt een onderscheid gemaakt tussen de classificaties R9 en
R13. Daarbij moet een proefpersoon met veiligheidsschoenen op een vlak
staan en gaan. Als glijmiddel wordt olie op het vlak gegoten. De
hellingshoek van het te testen vlak is des te groter hoe hoger de
R-classificatie.
In zones waar men blootsvoets gaat in
zwembaden en in douche en gelijkaardige ruimtes van sportcomplexen
wordt een onderscheid gemaakt tussen de groepen A, B en C. Ook hier
wordt de antislipwerking met behulp van een proefpersoon op een schuin
vlak berekend. Als glijmiddel wordt hier zeepsop gebruikt.
(zie ook traptrede / traptegel)
|
|
| B |
|
Basisreiniging:
Deze reiniging aan het einde van de plaatsing maakt deel uit van het
werk van de vloerenlegger en dient voor het verwijderen van vuil en
eventueel aanwezige cementresten (gebruik van cementreinigers zoals
b.v. INOLIT).
Beeldmozaïek:
Beeldmozaïeken worden meestal manueel met handgeslagen stenen tegels in de vorm van een beeld of patroon gelegd (zie ook mozaïek).
Berekening van de hoeveelheid:
Na
de keuze van een bepaalde soort tegels wordt een legplan opgesteld dat
als basis dient voor de precieze berekening van de hoeveelheid (aantal
vloertegels, decors, boordsels, sokkels en traptegels enz.).
Bestandheid tegen vlekken:
Bestandheid
tegen het optreden van niet meer te verwijderen vlekken. Dit is bij
geglazuurde tegels het geval; bij ongeglazuurde daarentegen enkel na
een betreffende behandeling (zie Carrogard en keramische verzegeling).
Biscuit:
Begrip
voor het eenmaal gebrand, halffabrikaat voor tegels of vaatwerk dat na
de aansluitende veredeling door dekoratie en glazuren een tweede maal
gebrand wordt (zie tweede brand).
Bone China:
Zeer
wit brandende porseleinmassa voor de productie van vaatwerk. Het begrip
stamt uit het Engels en betekent beenderporselein. De porseleinmassa
heeft een hoog aandeel aan as van rundbeenderen (40 - 50 %).
Bouwkeramiek:
(zie grove keramiek, keramiek (bouwkeramiek))
Brandbaarheid:
Tegels zijn niet brandbaar.
Buigtreksterkte:
Bouwelementen
zoals tegels zijn onderworpen aan krachten verticaal op het
aanzichtvlak. Daarbij doen er zich op de bovenzijde druk- en op de
onderzijde trekspanningen voor waarvan de laatstgenoemde in het
algemeen doorslaggevend zijn (zie dilatatievoeg).
|
|
| C |
|
Chamotte:
Vuurvast
fabrikaat van kleiaarde bevattende mineralen dat als hulpmiddel b.v.
voor kapsels of chamottestenen voor ovenbekledingen gebruikt wordt.
Daarnaast worden gebroken brandhulpmiddelen en gebrande klei en kaolien
ook chamotte genoemd. Zij worden als speciale grondstoffen voor
keramische fabrikaten gebruikt en dienen voor het verbeteren van de
vuurvastheid.
Chemische bestendigheid:
Aardewerk
tegels en geglazuurde stenen tegels zijn bestand tegen
badwatertoevoegingen en huishoudelijke chemicaliën (uitgenomen
reinigingsmiddelen die waterstoffluoride bevatten en hun verbindingen)
(min. klasse B); ook tegen zuren en logen wanneer overeengekomen.
Ongeglazuurde stenen tegels zijn daarenboven bestand tegen waterstoffluoride en hun verbindingen (zie ook toepassingsgebied).
Cotto:
(zie aarden plavuizen)
Correctietijd:
De
tijdsduur tijdens dewelke de tegels in het verse onderbed gecorrigeerd
kunnen worden door deze te verschuiven zonder dat de hechting verstoord
wordt of vermindert.
Craquelé:
Benaming
voor fijne craquelures (haarscheurtjes). Bij talrijke glazuren wordt
craquelé opzettelijk als vormgevingsmiddel toegevoegd (zie craquelure).
Craquelure:
Fijne,
niet door de scherven gaande scheuren in het glazuur. Deze ontstaan
meestal als gevolg van uitzettingen van de scherven. De weerstand tegen
craquelure is een vereiste bij geglazuurde aardewerk- en stenen tegels.
Glazuren die tot craquelurevorming neigen, worden door de fabrikant gekenmerkt (zie craquelé)
|
|
| D |
|
Decoratie op glazuur:
Reeds geglazuurde tegels worden in een aanvullend arbeidsproces nogmaals gedecoreerd en gebrand.
Decoratiebranden:
Voor
verdere veredeling worden de reeds geglazuurde tegels na de tweede
brand (gladbrand) met afdrukkingen (calqueerplaatjes) en
handschilderingen bij 800°C tot 900°C opnieuw gebrand. Zo wordt tijdens
het decoratiebranden alleen de aangebrachte decoratie in het glazuur
ingebrand. Scherven en glazuur blijven onveranderd.
Decoratietegels:
Decoraties
worden op blanco tegels van een tegelreeks aangebracht. Zij kunnen als
één enkele decoratie of uit verschillende decoratietegels bestaan die
samen een beeld vormen.
Delftse tegels:
Genoemd
naar het kleine, Hollandse stadje Delft waar sinds de 16de eeuw tegels
worden gemaakt. De decoraties zijn vaak portretten, scènes,
landschappen of bijbelse motieven in typisch Delfts blauw.
Dichtingsmassa:
Te injecteren of bandvormige geprefabriceerde kunststoffen voor het opvullen resp. afdekken van dilatatievoegen.
Dilatatievoeg (expansievoeg):
Alle
soorten van voegen die beweging tussen gebouwen, vlakke delen resp.
constructiedelen mogelijk maken en spanningen verminderen die anders de
vloerbedekking zouden beschadigen. Zij kunnen al naargelang de
toepassing gevormd worden door:
- Constructieve realisering van de randen van bouwelementen,
- Afsluiting met elastische dichtingsmassa,
- Overbrugging door voorgefabriceerde dichtingsmassa in bandvorm,
- Profielen en slabben
- Openlaten van de voegen
Dilatatievoegen
zijn belangrijk bij alle grotere oppervlakken, in oude constructies met
houten plafonds, op terrassen en in wintertuinen omdat trek- en
drukspanningen anders de normale voegen of zelfs de tegels kunnen
beschadigen (zie ook buigtreksterkte).
DIN-norm:
Regels van de techniek van het Deutsche Institut für Normung e.V. Berlin (DIN = Duits Instituut voor Standaardisatie).
Tegelnormen:
- DIN EN 159: drooggeperste keramische tegels en stenen platen met hoge wateropname E < 10 % - groep B III (aardewerk tegels)
- DIN EN 176: drooggeperste keramische tegels en stenen platen met lage wateropname E < 3 % - groep B III (stenen tegels)
Dispersielijm:
Lijm
voor het leggen van tegels met behulp van de dunbed-techniek. ("Stoffen
voor keramische bekledingen met behulp van de dunbed-techniek -
dispersielijmen") Dispersielijmen zijn niet waterbestendig en
daarom slechts voor binnenbekledingen met geringe vochtbelasting
geschikt. Wordt bij voorkeur gebruikt voor wandbekledingen op een
ondergrond van gips of hout.
Drukvastheid:
De drukvastheid van tegels is geen gestandaardiseerde eigenschap.
Deze bedraagt bij steen (gres) ongeveer > 500 N/mm2.
Dunbedmortel (hydraulische):
Met
cement gebonden, hydraulisch verhardende tegellijm voor de plaatsing in
dunbed-techniek. ("Stoffen voor keramische bekledingen met behulp van
de dunbed-techniek - hydraulisch verhardende dunbedmortel").
Wordt bij voorkeur gebruikt op massieve ondergronden zoals b.v. beton, cementvloer of -pleister, voor binnen en buiten.
Plaatsing met de dunbed-techniek:Techniek voor het plaatsen van tegels
tegen een wand en op de vloer. ("Uitvoering van keramische werken met
behulp van de dunbed-techniek"). Hier zijn weerom drie technieken te
onderscheiden op basis van drie verschillende bindmiddelen:
- Dunbedmortel (hydraulisch verhardend)
- Dispersielijm
- Epoxyharslijm
|
|
| E |
|
Eenmalig branden:
Brandproces waarbij de gebruiksklare tegels en stenen platen in één enkel proces gebrand worden.
Elektrische geleidbaarheid:
Over
deze eigenschap beschikken geglazuurde tegels waarvan het glazuur
speciale metaalverbindingen bevat die een goed elektrisch
geleidingsvermogen in de hand werken. Hierdoor kunnen elektrostatische
opladingen vermeden worden die tot storingen in gevoelige apparatuur
(b.v. in operatiekamers) kunnen leiden.
Expansievoeg:
(zie dilatatievoeg)
|
|
| F |
|
Faience:
Benaming voor tegels en vaatwerk van steengoed, genoemd naar de stad Faenza in Noord-Italië.
Fijn gres:
Ongeglazuurde stenen tegels met lage wateropname (E < 0,5%) en hoge vastheid (zie toepassingsgebied).
Fijne keramiek:
- Vaatwerk van porselein, bone China, vitreous China en steengoed,
- Sanitair porselein van vitreous China (= glasporselein),
- Tegels uit aardewerk en steen (gres),
- Sierkeramiek van aardewerk en gres.
Fijne keramiek wordt voornamelijk van lichtgekleurd brandende grondstoffen gemaakt.
Frit:
Voorgesmolten speciaal glazuur dat in de vorm van granulaat beschikbaar is. Dient als grondstof voor glazuren.
|
|
| G |
|
Gabbro:
Een stenenfamilie van de plutonieten, in tegenstelling tot dioriet
Met calcium beklede plagioklasen, tamelijk donker tot zwart, medium-
tot grofkorrelig. Genoemd naar het dorp Gabbro ten zuiden van Livorno
in Toscanië (de daar voorkomende "Gabbro" is echter een serpentiniet).
Gabbro is vorst- en politoerbestendig.
Glazuur:
Speciaal glas dat als een laag van ongeveer 0,1 mm dik op een aardewerk- of gresscherven ligt (zie scherven).
Gietklei:
Met water uit de grondstoffen bereide massa of glazuursuspensie die tijdens de vormgeving in de gipsvorm gegoten wordt.
Gneis:
Een stenenfamilie metamorfiet lichtgrijs, -groenachtig, -bruinachtig,
-roodachtig, medium- tot grofkorrelig, meer of minder sterk gericht,
kan dikwijls tot dunne platen gemaakt worden. De naam gneis vindt men
reeds in de 16de eeuw terug, komt misschien van het oudnoords "gneisti"
= vonken.
Gres (stenen tegels):
Traditioneel begrip voor tegels met lage wateropname (zie keramische tegels).
Grove keramiek:
Klinkers, (bak)steen en keramiek die in hoofdzaak uit soorten klei en zand geproduceerd worden.
|
|
| H |
|
Halffabrikaat:
Keramisch halffabrikaat volgens de vormgeving in nog niet gebrande staat (zie ook biscuit).
Half steengoed (halfgres):
Traditioneel begrip voor keramische tegels met een wateropname tussen 3 en 6% resp. tussen 6 en 10% (zie keramische tegels).
Handschildering (met de hand geschilderd):
Een
omslachtige decoratietechniek waarbij tegels vóór het decoratiebranden
met de hand beschilderd worden. Deze tegels zijn van uitstekende
kwaliteit en worden door Villeroy & Boch met "handgeschilderd"
gekenmerkt.
Hardstoffen:
Eén van beide hoofdgroepen van grondstoffen van keramiek (zie ook magermiddelen en vloeimiddelen).
|
|
| I |
|
Impregneren:
Nabehandeling van ongeglazuurde stenen tegels ter verbetering van de bestandheid tegen vlekken (zie Carrogard).
Inolit:
Zuurhoudend
reinigingsmiddel voor tegelbekledingen dat voor de zogenaamde
basisreiniging na de plaatsing gebruikt wordt om mortelresten te
verwijderen. Niet geschikt voor de zogenoemde onderhoudsreiniging.
|
|
| J |
|
|
|
| K |
|
Kaolin:
r
Keramiek (bouwkeramiek):
Samenvattend begrip voor bouwstoffen die uit natuurlijke, keramische grondstoffen vervaardigd en gebrand worden.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee materiaaleigenschappen:
- Hoge wateropname
- Lage wateropname.
Bij
de eerste groep waartoe de aardewerk tegels behoren, is de scherf
poreus, de poriën zijn open, de scherf is niet vorstbestendig en heeft
een doffe klank. Deze scherf kan met de meest verscheidene technieken
versierd worden en wordt in principe geglazuurd.
Tot de
tweede groep behoren stenen tegels. Zij bestaan uit een scherf met
lagere wateropname. Deze scherf is dicht, heeft gesloten poriën, is
vorstbestendig en heeft een heldere klank. Stenen tegels bestaan in
geglazuurde en ongeglazuurde vorm.
(zie ook toepassingsgebied, keramische tegels)
Keramische tegels:
Dunne platen van keramiek die als bedekking voor vloeren of bekledingen voor wanden gebruikt worden.
Deze worden geclassificeerd in de volgende groepen:
- strenggeperste platen
- drooggeperste platen
- met behulp van andere proces (zoals b.v. "gieten") vervaardigde tegels.
Drooggeperste
tegels worden weerom geclassificeerd volgens het vermogen om water op
te nemen waarbij er opnieuw een onderscheid tussen geglazuurde en
ongeglazuurde tegels gemaakt wordt.
B I a: 0 < E < 0,5 % --> Ongeglazuurd en geglazuurd gres
B I: 0 < E < 3,0 % --> Ongeglazuurd en geglazuurd gres
B II a: 3.0 < E < 6.0 % --> Ongeglazuurd en geglazuurd half steengoed (halfgres)
B II b: 6.0 < E < 10 % --> Ongeglazuurd en geglazuurd half steengoed (halfgres)
B III : 10 < E < 20 % --> Geglazuurd steengoed
(zie ook keramiek (bouwkeramiek))
Keramische verzegeling:
Een
speciaal productieproces waarbij het oppervlak van het ongeglazuurde
gres zo dicht wordt dat het over bestandheid tegen vlekken beschikt.
Een nabehandeling met CARROGARD of gelijkaardige impregneermiddelen mag
hier niet uitgevoerd worden omdat de impregneervloeistof niet meer in
de keramiek kan binnendringen en zo als een vuil bindende film
achterblijft op het oppervlak.
Krashardheid: "MOHS" 1-10
Onder hardheid verstaat me de weerstand van een stofoppervlak tegen het
binnendringen van een ander lichaam. De krashardheid wordt gemeten
volgens MOHS door een vergelijking met mineralen. Door slaggevend is de
hardheid van het materiaal dat bij meerdere krasproeven hoogstens één
keer een spoor achterlaat.
Krimp:
Krimp van vormstukken tijdens het drogen of branden. Het verschil tussen begin- en eindformaat wordt in procent uitgedrukt.
Krasvastheid:
Maat
voor het weerstandsvermogen van keramische glazuren tegen krassende,
kervende belasting. Onderzoek naar de krasvastheid volgens "Mohs".
Aanduiding van de hardheid volgens de hardheidsschaal van Mohs van 1
tot 10.
|
|
| L |
|
Legplan:
Het
legplan dient voor de berekening van de hoeveelheid aan afzonderlijke
tegels en voor de bepaling van de manier van leggen (patroon).
Lichtechtheid:
Keramische tegels zijn in tegenstelling tot b.v. kunststoffen licht- en kleurbestendig.
Lijm (kleefstof):
Aanzet-
en legstoffen waarbij meerdere kunststofcomponenten door verdamping van
het aanwezige water of door een chemische reactie gaan verharden.
|
|
| M |
|
Magermiddelen:
Grondstof voor de vervaardiging van tegels die tot de groep van hardstoffen behoren zoals b.v. kwartszand en chamotte.
Modulaire tegels:
Tegels waarvan de nominale maat bestaat uit de productiemaat (fabricagemaat) en de voegbreedte.
Voorbeeld:
Fabricagemaat: 97 x 197 mm
Voegbreedte: 3mm
Modulemaat: 100 x 200 mm
Nominale maat: 10 x 20 cm
De
eigenschap "modulair" wordt eveneens aan tegels toegeschreven wanneer
deze - zoals bij combinaties keramiek / natuursteen bijvoorbeeld - in
alle maten (breedte / lengte / dikte) op elkaar afgestemd zijn.
Mozaïek:
Mozaïeken
zijn afbeeldingen die met tegels gemaakt worden waarbij de tegels
handgeslagen worden. Soms worden stenen tegels (<10 x 10 cm) ook zo
genoemd.
(zie ook beeldmozaïek)
Mortel:
Menging van cement en zand. Dient voor de dikbed-techniek
|
|
| N |
|
Natuurstenen:
Geologische lichamen, opgebouwd uit heterogene mengsels van
mineralen, mineraal- en gebroken steenstukken, fossielen, zeer zelden
uit slechts één mineraal (monominerale steen). Volgens haar ontstaan
kan de -Rode gres
Ongeglazuurde tegels met rode compacte scherven, geproduceerd volgens het strengpersprocédé.
-Fijne gres (dicht gesinterd)
Tegels met heldere of kleurige scherven. Door het geïntegreerde
pigment, eenkleurig of met grofkorrelige textuur, extreem compact
geperst. Diverse producten zijn ook met geslepen of gepolijst oppervlak
verkrijgbaar.
Natuurstenen:
Geologische lichamen, opgebouwd uit heterogene mengsels van mineralen,
mineraal- en gebroken steenstukken, fossielen, zeer zelden uit slechts
één mineraal (monominerale steen). Naargelang zijn ontstaan kan de
steen ingedeeld worden in magmatieten, sedimentstenen, metamorfieten.
-Graniet:
De bekendste en meest frequente dieptesteen. Verkrijgbaar in de meest
verschillende kleuren en structuren, maar is altijd bestemd door het
feit dat hij +/- 50 % veldspurt, +/- 35 % kwarts en +/- 15% glimmer
bevat.
Graniet geldt als de meest stabiele en bestendige van alle natuurlijke
werkstoffen. Goede graniet is onbeperkt bestand tegen de
weersomstandigheden en ook tegen luchtvervuiling.
Naast de binnenuitbouw is graniet de ideale natuurwerksteen voor buitentoepassingen.
-Marmer:
Omzettingsproducten (door metamorfose) van kalkstenen en dolomietstenen, meestal door een suikerfijne structuur gekenmerkt.
Omdat marmerwerken buiten door de inwerking van chemische producten tot
luchtvervuiling leiden wordt marmer meestal in de hoogwaardige
binnenarchitectuur gebruikt.
-Kalksteen:
Groep met vele verschillende soorten van afzettingsstenen
(sedimentstenen) die hoofdzakelijk of uitsluitend uit calciet bestaan.
De hoofdtoepassing van kalksteen is de binnenarchitectuur hoewel
sommige kalksteensoorten ook bij buitentoepassingen hun waarde bewezen
hebben.
-Kwarsiet - leisteen - zandsteen
Door jarenlange langzaam op elkaar volgende geologische gebeurtenissen
gevormd zijn kwarsiet, leisteen en zandsteen natuurelementen. Zij zijn
onvergankelijk, veelkleurig en voor bijna alle soorten werken geschikt.
-Porfier
Onder alle soorten natuurstenen voor externe toepassingen zijn de
porfierstenen het oudste en meest gebruikte bekledingsmateriaal. De in
de steengroeve opgebouwde porfier is een steen met een natuurlijk
oppervlak. Dankzij zijn ruwheid en verschillende hardheid van de
materialen waaruit hij samengesteld is is hij ideaal geschikt voor
vloerbepleisteringen en bekledingen.
-Blauwsteen: "Belgisch Graniet" - "Petit Granit"
Na zijn bewerking heeft de Belgische blauwsteen (kalksteen) een toon
die van grijs, lichtblauw tot zwart varieert, en meer bepaald in
overeenstemming met de uitgevoerde bewerking.
Dankzij zijn geringe porositeit is hij onbeperkt vorstbestendig.
Bovendien is het gebruik van Belgische blauwsteen gerechtvaardigd op
basis van zijn specifiek gewicht, zijn zeer hoge slijtage- en
drukbestendigheid, evenals door het feit dat hij gewoonweg
onverwoestbaar is.
Deze verschillende door bewerking en eindproductie bereikte aspecten
rechtvaardigen het gebruik van Belgische blauwsteen bij alle soorten
bouwwerken. De toon kan van de ene tot de andere steen in geringe mate
variëren: deze variatie verdwijnt in de loop van de tijd dankzij het
door de steen bereikte patina.
Nominale maat:
Een maat 20 tegel heeft bijvoorbeeld de nominale maat 200 x 200 mm doch een mogelijke productiemaat van 197 x 197 mm.
|
|
| O |
|
Onderhoudsreiniging:
Courante reiniging door vegen, afzuigen of opdweilen met behulp van
normale huishoudelijke reinigingsmiddelen. (zie ook onderhoud)
Ondervloer (chape):
Gladde,
vaste ondergrond op de ruwbouwconstructie die als onderlaag dient voor
de vloerbedekking. De ondervloer wordt doorgaans meerdere dagen tot
weken vóór het tegelwerk aangebracht opdat deze voldoende zou kunnen
drogen.
Oppervlakken:
ongeglazuurd
geglazuurd
geslepen
gepolijst
geglansd
halfgepolijst
gestructureerd > zie ook: slipbestendigheid
Oppervlakteslijtage:
Glazuurafslijting
(zie glazuur) bij geglazuurde stenen tegels als gevolg van schurende,
wrijvende belasting. De slijtgroep (klasse I tot IV) wordt door de
fabrikant aangegeven (zie slijtgroep).
Octogoon:
Achthoekige tegel die tijdens het plaatsen gecombineerd wordt met vierkante inleggen van keramiek of natuursteen.
|
|
| P |
|
PEI:
Porcelain
Enamel Institute. De PEI-test is een testprocedure voor het bepalen van
de weerstand tegen oppervlakteslijtage van vloertegels.
Plaatsing met de dikbed-techniek:
Ook conventionele plaatsing genoemd. Techniek voor het plaatsen van tegels tegen een wand en op de vloer.
De plaatsing geschiedt met gemengde mortel van cement en zand
(uitvoeringsnorm: DIN 18352 "Werken met tegels en stenen platen").
Platen:
Benaming voor grove keramische tegels die door strengpersen uit een plastische massa vervaardigd worden.
Poreusheid:
Open en gesloten poriënruimte van een werkstuk zoals een tegel. Aangeduid in volume %.
Wateropname is de maat voor de open poriënruimte. Aanduiding in gewichtspercentage (zie wateropname).
Porselein:
Een dicht gebrand, fijn keramisch materiaal waarvan de scherf wit en bij dunne wanddiktes zelfs doorschijnend is (zie ook fijne keramiek).
|
|
| Q |
|
|
|
| R |
|
Reactiehars:
Als
gevolg van een chemische reactie verharde en meestal uit twee
componenten bestaande lijm (hars en verharder) voor het leggen of
voegen van tegels.
Reiniging:
Voor de reiniging van tegels wordt een onderscheid gemaakt tussen basisreiniging en onderhoudsreiniging.
|
|
| S |
|
Schijnvoeg:
In keramische tegels geperst laag reliëf dat er optisch als een voeg uitziet.
Scherf:
Gebrand tegelmateriaal zonder glazuur.
Sinteren:
Omzetting van de grondstoffen tot scherven tijdens het branden.
Slak:
Anorganische silicaatreststoffen die tijdens de verwerking van materialen ontstaan.
Slijtage:
(zie slijtgroep)
Slijtage in de diepte:
Met
slijtage in de diepte wordt bedoeld de scherfafslijting bij
ongeglazuurde stenen tegels als gevolg van schurende, wrijvende
belasting. De toegelaten toleranties zijn als minimumeisen vastgelegd
in de betreffende materiaalnorm (proef krachtens DIN 102) (zie
slijtgroep).
Slijtagebestendig:
Karakteristieke waarde van het substantieverlies, vloerbedekkingen uit
geglazuurde tegels. Door de slijtage van het oppervlak als gevolg van
bewandelen, berijden enz. Bijzonder belangrijk is het feit dat de
slijtagebestendigheid van het oppervlak uitsluitend van het glazuur
afhangt.
De fabrikant van de tegels geven als richtlijn voor het gebruik van geglazuurde tegels 5 belastingsgroepen aan.
Slijtgroep:
De bestendigheid
tegen afslijting van geglazuurde stenen tegels wordt in groepen
ingedeeld en zo kunnen er toepassingsgebieden toegekend worden. De
slijtbestendigheid (slijtgroep) van geglazuurde stenen tegels wordt
door de fabrikant aangegeven.
Slijtgroep I: zeer lichte belasting.
Vloerbedekkingen in ruimtes die bij een lage gebruiksfrequentie zonder
krassende vervuiling door schoenen met een zachte zool begaan worden,
b.v. slaap- en sanitaire ruimtes in de privéwoningbouw.
Slijtgroep II: lichte belasting.
Vloerbedekkingen in ruimtes die bij een lage gebruiksfrequentie door
geringe krassende vervuiling van normale schoenen belast worden, b.v.
privéwoningbouw, echter niet in keukens, ingangen, bij buitenvloeren en
trappen.
Slijtgroep III: gemiddelde belasting.
Vloerbedekkingen in ruimtes die bij gemiddelde gebruiksfrequentie door
krassende vervuiling van normale schoenen belast worden, b.v.
privéwoningbouw, echter niet in keukens evenmin als vloerbedekkingen in
de niet-woningbouw met vergelijkbare belasting zoals bijvoorbeeld
hotelkamers inclusief badkamers.
Slijtgroep IV: sterkere belasting.
Vloerbedekkingen in ruimtes die bij sterkere gebruiksfrequentie door
vervuiling en belasting van normale schoenen intensief belast worden,
b.v. ingangen, terrassen, keukens, verkoop- en winkelruimtes, bureaus,
ziekenhuizen, hotels, scholen en administratiegebouwen.
Slijtgroep V: sterke belasting.
Nieuw ontwikkelde glazuren maken de productie van geglazuurde stenen
tegels mogelijk waarvan de oppervlakteslijtageweerstand ver boven de
vereisten van slijtgroep IV ligt en deze daarom niet meer onder DIN EN
154 vallen. Daarom wordt de internationale norm ISO 10545 T.7
voorbereid waarvan verwacht wordt dat deze de definitie van slijtgroep
V zal geven. Voor toepassingsgebieden met zeer sterke
gebruiksfrequentie staan tegels van slijtgroep V ter beschikking die
over een zeer hoge slijtageweerstand beschikken, b.v. kapperszaken,
bakkerijen, snackbars, hallen van hotels, banken en restaurants.
Sterkste belasting:
Niet-geglazuurde stenen tegels hebben een slijtageweerstand die tot de
hoogste van alle vloerbedekkingen mag gerekend worden. Zelfs na
intensieve belasting gedurende tientallen jaren is een afslijting van
dit homogeen materiaal nagenoeg onzichtbaar.
Toepassingsgebied:
- Aardewerk
tegels: dienen als wandbekleding in binnenruimtes. In badkamers in
privéwoningen worden deze soms ook als vloerbedekking gebruikt. Dit
raden wij echter af.
- Stenen tegels (grestegels): dienen als wandbekleding
voor binnen en buiten (gevel) en als vloerbedekking overeenkomstig de
vereiste slijtklasse (vloerbedekkingen voor binnen en buiten). Zij
worden gebruikt voor de constructie van reservoirs
(drinkwaterreservoirs, zwembaden, enz.) (zie slijtgroep).
- Stenen tegels, ongeglazuurd: worden voornamelijk als vloerbedekkingen gebruikt (zie slijtgroep).
Sortering:
Voordat
de tegels in de handel komen, worden zij aan een kwaliteitscontrole en
sortering onderworpen. Tegels met slechts lichte gebreken worden als
sortering van mindere kwaliteit verkocht.
Sortering van mindere kwaliteit:
Qua
uitzicht en kwaliteit iets minder goede tegels worden door de fabrikant
als mindere kwaliteit gesorteerd en goedkoper verkocht.
(zie ook sortering)
Splijttegel:
Strenggeperste platen die als stenen tegels gebruikt worden (zie keramische tegels).
Syeniet:
Een stenenfamilie van de plutonieten, meestal rood, roodbruin of
roodachtig, zelden blauwachtig, violet of wit, medium- tot
grofkorrelig, zelden porfyritisch. De naam komt van de Egyptische stad
Syene, vandaag Assuan
Bij de verwerking duidelijk minder werktuigslijtage dan bijvoorbeeld bij graniet wegens het geringere kwartsgehalte.
|
|
| T |
|
Tegels:
(zie keramische tegels)
-Majolika, Cottoforte
Geglazuurde, dubbel gebrande tegels uit poreuze en kleurige scherven. Vormgeving door droogpersen.
-Geglazuurd aardewerk
Geglazuurde, dubbel gebrande tegels uit poreuze en witte scherven. Vormgeving door droogpersen
-Inbranden
Geglazuurde, ingebrande tegels op compacte of poreuze, kleurige of
heldere scherven, die door het persprocédé vervaardigd worden.
-Klinker
Ongeglazuurde of in het inbrandprocédé geglazuurde tegels met
gevarieerde, uit verschillende kleuren bestaande, in het algemeen
compacte scherven, geproduceerd volgens het strengpersprocédé.
-Cotto
Ongeglazuurde tegels met rode poreuze scherven, geproduceerd volgens het strengpersprocédé .
-Rode gres
Ongeglazuurde tegels met rode compacte scherven, geproduceerd volgens het strengpersprocédé.
-Fijne gres (dicht gesinterd)
Tegels met heldere of kleurige scherven. Door het geïntegreerde
pigment, eenkleurig of met grofkorrelige textuur, extreem compact
geperst. Diverse producten zijn ook met geslepen of gepolijst oppervlak
verkrijgbaar.
Tegels plaatsen:
Proces
voor het plaatsen van keramische wand- en vloerbekledingen. Er wordt
een onderscheid gemaakt tussen plaatsing met de dunbed-techniek en
conventionele plaatsing (plaatsing met de dikbed-techniek).
Temperatuurbestendigheid:
De
bestendigheid tegen temperatuurveranderingen is een vereiste voor
aardewerk tegels en stenen tegels (proef krachtens DIN EN 104).
(zie keramische tegels).
Terracotta:
(zie aarden plavuizen)
Toleranties:
Tegels
en stenen platen bestaan uit natuurlijke grondstoffen en vertonen
toleranties als gevolg van het materiaal en de productie (zie nominale maat).
Traptrede / traptegel:
Deze tegels zijn aan de rand vaak voorzien van antislip groeven die de stapveiligheid van de trap moeten garanderen.
Tweede brand:
Na
het branden van halffabrikaten worden de tegels geglazuurd, gedecoreerd
en nogmaals gebrand waarbij de scherf onveranderd blijft.
|
|
| U |
|
UPEC:
Franse
norm voor de classificatie van keramische vloertegels (gres) op basis
van gebruikseigenschappen die enkel voor de Franse markt gelden.
Parallel daarmee geldt ook de norm EN voor tegels. (zie keramische tegels).
|
|
| V |
|
Veldspaat:
De belangrijkste groep van de stenenvormende mineralen, begrip sinds
ongeveer 1750 bekend. Veldspaten vormen ongeveer 51 vol.-% van de
continentale aardkorst, zij vormen de tertiaire gemengde kristalrij van
de er continentale eindschalmen.
Verzorging en onderhoud:
Speciale producten voor het reinigen, beschermen en onderhouden van
keramiek, tegels, Terracotta, marmer, natuur- en betonwerkstenen zijn
bij ons verkrijgbaar.
Voor elke productielijn zijn er op de materialen afgestemde toepassingsaanwijzingen met productbeschrijvingen.
Uitvoerige informatie over de producten vindt u in de technische infobladen.
Vitreous China (glasporselein):
Glasachtig, dicht gebrand porselein, hoofdzakelijk voor de vervaardiging van vaatwerk en sanitair onderdelen (zie porselein).
Vloeimiddel:
Natuurlijke, kristallijne mineralen die het smeltgedrag van andere stoffen zo beïnvloeden dat deze in een smeltfase overgaan.
Vloeimiddelen zijn grondstoffen en chemische verbindingen die natrium,
kalium, lithium, magnesium of calcium bevatten. De betreffende
grondstoffen zijn doorgaans hardstoffen.
Vloeizuren:
Sterk
bijtende zuren die nagenoeg alle stoffen (b.v. ook glas) aantasten.
Vloeizuren of reinigingsmiddelen die vloeizuren bevatten, mogen nooit
gebruikt worden voor de reiniging van keramiek. (zie ook onderhoud)
Vochtuitzetting:
De
vochtuitzetting van stenen tegels is niet meetbaar; van geglazuurde
aardewerk tegels verwaarloosbaar; geglazuurde aardewerk tegels mogen
voor toepassingsgebieden onder water (de bouw van zwembaden of
reservoirs) evenwel niet gebruikt worden.
Voeg:
Voegen
dienen voor de compensatie van toelaatbare afwijkingen van de
kantlengten en de rechthoekigheid van de opgegeven productiematen die
zich voordoen als gevolg van het materiaal. De voegbreedtes zijn in het
algemeen het resultaat van het verschil tussen de nominale maten en de
productiematen of zijn in de plaatsingsnormen als aanbeveling
vastgelegd.
Aangeraden voegbreedtes:
- Kantlengte tot 100 mm: ongeveer 2 mm
- Kantlengte van 100 tot 200 mm: ongeveer 3 mm
- Kantlengte van 200 tot 600 mm: ongeveer 4 mm
Voegen:
Na het leggen van de tegels worden de ruimtes tussen de tegels met speciale mortel gevuld.
Voorstrijken:
Bestrijken ter voorbehandeling van het aanzet- of legoppervlak vóór het aanbrengen van de mortel of lijm.
Vormstuk:
Dient
voor de vormgeving van hoeken en kanten tijdens de bouw van zwembaden
en in keukens en badkamers. De productie van vormstukken geschiedt met
behulp van het gietproces en vereist bijzondere zorgvuldigheid en
toezicht tijdens de vervaardiging opdat de vormstukken de op voorhand
berekende afmetingen zouden hebben. Dit verklaart hun bij vergelijking
hoge prijs.
Vorstbestendigheid:
Het hoofdcriterium voor het gebruik van tegels buiten. Is een vereiste voor stenen tegels krachtens DIN 176 (zie toepassingsgebied).
|
|
| W |
|
Wandtegels:
Naargelang het toepassingsgebied en de smaak kunnen alle soorten tegels als wandtegels gebruikt worden.
Wateropname:
Maat
voor de open poreusheid van een keramisch product. De wateropname van
een keramische scherf bedraagt bij aardewerk minder dan 3% (zie poreusheid).
Weekmakers:
Hoofdgroep van grondstoffen voor de vervaardiging van keramiek. Daartoe behoren klei en kaoline.
|
|
| X |
|
|
|
| Y |
|
|
|
| Z |
|
Zeefdruk:
Een
techniek voor het decoreren van tegels waarbij de drukpasta doorheen
een zeefdruksjabloon op de tegel aangebracht wordt. Deze techniek kan
meermaals en met verschillende kleuren herhaald worden waarbij de
druksjabloon voor een bepaald patroon zorgt.
|
|
| 0-9 |
|
|
|
|
|
|
|